Moraliteit kan best zonder religie
'Is het alles welbeschouwd niet buitengewoon bizar te denken dat godsdienst noodzakelijk is voor moraal?', vraagt Johan Braeckman . 'Wat noodzakelijk is, is een sociale omgeving die de morele vermogens van mensen tot ontwikkeling brengt en positief kanaliseert.'
In
zijn recent verschenen tweede encycliek, Spe Salvi - 'door de hoop zijn
we gered' - argumenteert paus Benedictus XVI dat er zonder godsgeloof
geen hoop is op vooruitgang, rechtvaardigheid en verlossing. 'De mens
heeft God nodig', schrijft de paus, 'anders blijft hij zonder hoop.'
Hoop en geloof zijn vrijwel inwisselbaar en complementair aan de rede:
'De rede heeft het geloof nodig wil ze volkomen zichzelf zijn; de rede
en het geloof hebben elkaar nodig om hun ware natuur en missie te
vervullen.' De paus verwijst vaak naar de middeleeuwse kerkvader
Augustinus en betreurt het dat Augstinus' opvatting over de hoop op het
Koninkrijk Gods in de moderne tijd, door de moderne wetenschap, stilaan
vervangen is door de hoop op een 'Koninkrijk van de mens'. Dat, aldus
de paus, kan nooit goed aflopen. Zonder godsgeloof kan er geen
vooruitgang zijn die moreel aanvaardbaar en wenselijk is, en 'enkel God
kan rechtvaardigheid scheppen'. Wat de paus op ingewikkelde wijze
uiteenzet in zijn encycliek, is een stelling die tal van gelovigen als
evident en onbetwijfelbaar beschouwen, namelijk dat er een
noodzakelijke koppeling bestaat tussen moraliteit en religieus geloof.
Wie niet gelovig is, kan geen authentieke moraal ontwikkelen, luidt
het. Dostojevski, naar wie de paus ook verwijst, bracht in zijn roman
De gebroeders Karamazov de bekende stelling 'Als God niet bestaat, dan
is alles toegelaten' naar voren. In de christelijke en islamitische
culturen is dit vandaag de dag zo goed als vanzelfsprekend. Als het
woord 'ethiek' ter sprake komt, denken velen spontaan ook aan religie.
In diverse ethische commissies worden vaak ook vertegenwoordigers van
godsdiensten opgenomen, en het is de normaalste zaak van de wereld dat
wie in zijn persoonlijk leven een moreel dilemma ervaart, advies vraagt
aan bijvoorbeeld een priester of imam. Meerdere groepen, sommige
bestaande uit enkele honderdduizenden, anderen uit honderden miljoenen
mensen, zijn ervan overtuigd een of meerdere boeken of teksten te
kennen die door God geïnspireerd zijn en die antwoorden bevatten op de
meest complexe morele problemen van onze tijd, ook al zijn de teksten
waar ze bij zweren niet bepaald in onze tijd geschreven. Het is een
oude en eenvoudige, maar nog steeds relevante vaststelling dat al die
groepen - joden, christenen, moslims, mormonen, getuigen van Jehovah,
scientologen, hindoes, bahá'ís, enzovoort - er elk voor zich van
overtuigd zijn dat hun boek in meerdere opzichten superieur is aan alle
andere, zonder daar evenwel overtuigende argumenten voor te hebben. Wie
deze teksten onbevangen leest, kan verrast zijn door de vele vormen van
soms extreme immoraliteit die men er in aantreft. Het Oude Testament,
bijvoorbeeld, bevat talrijke beschrijvingen van door God gewilde
genocides en spoort mensen aan tot kindermoord, steniging, vrouwenhaat,
slavernij en dergelijke meer. Ook in het Nieuwe Testament staan
meerdere voorschriften en morele richtlijnen waarvan we moeten hopen
dat niemand ze vandaag de dag nog ernstig neemt. (Bijvoorbeeld
Hebreeën, 10: 'Voor wie de wet van Mozes naast zich neerlegt is er geen
pardon; wanneer er ten minste twee getuigen een verklaring tegen hem
afleggen, moet hij sterven. () Huiveringwekkend is het te vallen in de
handen van de levende God!') Natuurlijk zijn vele hedendaagse gelovigen
van mening dat men de sacrale teksten niet overal even letterlijk moet
nemen en dat hun interpretatie van generatie tot generatie kan
variëren. Dat alleen al holt de stelling uit dat moraal niet zonder
godsdienst kan bestaan. Als men de keuze van de inspirerende passages,
net zoals de interpretatie ervan, laat afhangen van de tijdgeest,
waarop kan men zich dan steunen om deze teksten een bijzondere status
toe te kennen? Uiteraard zijn ook de interpretaties op zich in
hetzelfde bedje ziek. Zo vond de al vermelde Augustinus dat men ketters
moest martelen, en de latere kerkvader Thomas van Aquino was van mening
dat men ze moest doden.
Is het juist dat moraliteit niet kan bestaan
zonder religie? Kunnen mensen geen ethiek ontwikkelen, geen morele
wezens zijn, zonder in een godsdienst te geloven; zonder hun morele
overtuigingen te grondvesten op religieuze veronderstellingen? Er is
niets dat daarop wijst, ook al lijkt de opvatting wijd verspreid te
zijn vandaag de dag. Onafgezien van de vaststelling dat oorspronkelijk
meerdere godsdienstige tradities, zeker in de eerste eeuwen van de
ontwikkeling ervan, duidelijk zelf niet van mening waren dat er een
verband is tussen godsgeloof en moraliteit, kan men met recht en rede
Dostojevski's stelling omkeren: 'Als god bestaat, is alles toegelaten'.
Meerdere van de grootste misdaden aller tijden zijn gerechtvaardigd
door de overtuiging dat Gods wil werd uitgevoerd, of dat God in elk
geval aan de kant stond van de daders. Zo hadden de soldaten van de
Duitse Wehrmacht tijdens WO II de spreuk Gott mit uns op hun
koppelriemen, was Hitler een heftig tegenstander van atheïsten en
vrijdenkers en werd het nazisme niet bepaald tegengewerkt door de
katholieke kerk en paus Pius XII. Of om een ander, meer recent
voorbeeld aan te halen: de daders van de aanslagen op de Twin Towers in
New York waren er rotsvast van overtuigd dat Allah hun vliegkunsten
positief beoordeelde en aanmoedigde. Is het alles welbeschouwd niet
buitengewoon bizar te denken dat godsdienst noodzakelijk is voor
moraal? Alsof wie niet in een of andere God gelooft zich niet
ontplooien kan tot een ethisch denkende en handelende mens, die zich
laat leiden door weloverwogen waarden en morele overtuigingen. Er is
niets dat dit empirisch ondersteunt, noch zijn er aanwijzingen dat er
een logisch verband bestaat tussen religie en moraal, wel integendeel.
Vrijwel alle mensen worden geboren met het vermogen om empathie te
ontwikkelen; om zich altruïstisch te gedragen; om medelijden te ervaren
met het lijden en de pijn van anderen en zich rekenschap te geven van
de wensen, gevoelens en het geluk van anderen. Religie kan die
vermogens activeren, maar ze kan ze, net zoals bepaalde ideologieën en
politieke opvattingen dat kunnen, ook afstompen of perverteren. Wat
noodzakelijk is, is een sociale omgeving die de morele vermogens van
mensen tot ontwikkeling brengt en positief kanaliseert. Religie kan
daarin een rol spelen, maar ze is er zeker niet noodzakelijk voor en
heeft aantoonbaar vaak een negatief effect.
Johan Braeckman doceert wijsbegeerte aan de Universiteit Gent.
© 2007 Corelio
Publicatie:
De Standaard /
Publicatiedatum:
15 december 2007