Medisch geassisteerde voortplantingstechnieken
door Prof.Dr.Hugo Van den Enden (m.m.v. An Ravelingien).
1. Inleiding
Medisch geassisteerde voortplantingstechnieken zijn de voorbije decennia ontwikkeld om mensen met vruchtbaarheids- of (soms) coïtale problemen te helpen in het vervullen van hun kinderwens. De medische interventie die hierbij is vereist omzeilt de normale geslachtelijke voortplanting of onderbreekt ze door technische procedures. In sommige gevallen dienen de technieken ook om geslachtsgebonden aandoeningen te voorkomen.
Medisch geassisteerde voortplantingstechnieken zijn een vorm van technologisch-wetenschappelijke vooruitgang die opzien baart omdat het voor het publiek iets bevreemdends heeft. Het raakt immers aan iets wat in onze cultuur zeer sterk is geassocieerd met privacy en met intimiteit. De technieken botsen dus op een zeer gevoelsgeladen en ook wel geromantiseerd beeld van voortplanting, zij botsen op wat door het publiek wordt aangevoeld als een als zeer waardevol gekoesterde innigheid. We komen immers uit een cultuur waarin de ‘heilige viervuldigheid’ van seksualiteit, liefde, huwelijk, en voortplanting als (h)echte eenheid werd beschouwd. Die eenheid, met de geslachtsdaad als essentiële component, werd door mensen als evident aangevoeld en verkreeg daardoor een onverbrekelijk karakter.
Deze nieuwe technieken zijn ontworpen vanuit de filosofie dat men, als er problemen zijn met die ‘intieme cluster’ , naar andere middelen moet grijpen om de kinderwens te vervullen. Nog steeds, echter, worden er naast gevoelsmatige ook principiële bezwaren tegen opgeroepen, vooral dan, wat onze contreien betreft, vanuit fundamentalistische vaticaanse hoek, zoals verder zal blijken.
2. De verschillende medisch geassisteerde voortplantingstechnieken
(a) KUNSTMATIGE INSEMINATIE
De eerste, oudste en minst controversiële vorm van kunstmatige inseminatie is de Kunstmatige Inseminatie Echtgenoot (K.I.E.). De term is een beetje ongelukkig gekozen want verwijst alweer naar de ‘heilige viervuldigheid’, terwijl het evident is dat het niet hoeft te gaan om een wettelijke echtgenoot. K.I.E. is aan de orde als er bij de man of vrouw een anatomisch of psychosomatisch coïtusprobleem is. De techniek houdt in dat de zaadcellen van de man bij de vrouw worden geïnsemineerd, door de vrouw zelf of door een medicus. Deze vorm van interventie is al zo ingeburgerd en aanvaard dat er weinig controverse rond is.
Desalniettemin, in officiële vaticaanse doctrinaire teksten en daarop gebaseerde publicaties, werden zelfs rond deze techniek nog problemen gemaakt. Hierin wordt gesteld dat K.I.E. (1) onnatuurlijk is; (2) de voortplanting loskoppelt van de huwelijksact; (3) masturbatie nodig maakt.
Achter het eerst vermelde bezwaar schuilt een achttiende-eeuwse filosofische opvatting die wortelt in de toenmalige natuurrechtfilosofie. Deze opvatting hield in dat de gecultiveerde gedragsvorm rond seksualiteit en voortplanting – voortplanting door een heteroseksueel koppel dat van elkaar houdt, dat gehuwd is en dat bovendien (in die tijd nog) in de missionarishouding coïteerde - beantwoordt aan een “natuurwet”. En die “natuurwet” werd dan verheven tot een “zedenwet”. Dit is een vertaling van een voorheen theologische opvatting waarbij gedragingen werden verbonden aan de wil en beschikking van God. Wat historisch en cultureel slechts één vorm van menselijk gedrag is, wordt gesublimeerd tot “natuur”. Het grote voordeel hiervan is dan dat die gedragsvorm een “onschendbaar” karakter krijgt. Alle gedrag dat hiervan afwijkt, kan men op die manier ‘onnatuurlijk’ en dus abnormaal (verkeerd, schuldig, zondig) noemen. Vanuit dergelijke opvatting kan de doctrine dan zeggen dat de techniek – ook als die erop gericht is tussen gehuwde heterosexuele partners een kinderwens te vervullen – niettemin onnatuurlijk en in strijd is met de zedenwet. De tot ‘natuur’ verheven culturele norm leert ons volgens die redenering wat de goede zeden zijn.
Deze bezwaren kunnen wij hedentendage folkloristisch noemen. Idem dito voor het masturbatieverbod. De intense kinderwens van een koppel dat coïtale problemen heeft, moet ingewilligd worden met medische hulp als we over die mogelijkheid beschikken. Overigens is de medische interventie bij K.I.E. zeer beperkt, vooral indien de vrouw zichzelf insemineert.
Een tweede vorm van kunstmatige inseminatie is de kunstmatige inseminatie donor (K.I.D.) Dit is aan de orde wanneer de man onvruchtbaar is ofwel omdat hij geen sperma produceert ofwel omdat het aantal spermacellen en de kwaliteit ervan niet volstaat (oligospermie). In dat geval moet men gebruik maken van donorsperma.
Ook hierop hebben fundamentalisten kritiek: zij verklaren dat K.I.D. “overspel” is, omdat het gebeurt met het zaad van een derde en niet van de partner. Dit is uiteraard een vreemd idee, daar ‘overspel’ per definitie betekent dat iemand met een ander dan de eigen partner seksuele betrekkingen onderhoudt, wat in dit geval niet zo is.
Een tweede bezwaar dat men in de literatuur aanhaalt, is dat deze techniek ook kan gebruikt worden voor buitenhuwelijkse toepassing. Het kan onder meer worden toegepast om een lesbisch koppel aan een kind te helpen, alsook een moderne geëmancipeerde vrouw die wel moeder wil worden maar die geen vaste relatie wil met een man. De argumenten die hiertegen worden aangehaald in de literatuur zijn ofwel dat doctrinaire argument dat men geen voortplanting mag hebben buiten het huwelijk, ofwel het moderne argument dat het belang van het kind wordt geschaad als het niet wordt opgevoed door een heteroseksueel koppel. Kinderen, zo zegt men dan, moeten zich kunnen identificeren met zowel een mannelijke en een vrouwelijke rol.
Dit tweede argument kan men niet hard maken en betekent bijvoorbeeld een pijnlijke discriminatie voor alleenstaande moeders. Wat een kind nodig heeft, is goede ouders, affectie, liefde, zorg, en het is evident dat één goede moeder of twee moeders dat evengoed kunnen bieden dan een heterosexueel koppel en dat zulks in elk geval beter is dan een moeder én vader die hun verantwoordelijkheid niet kunnen dragen of er een potje van maken. Er is geen verband tussen de kwaliteit van de opvoeding en het type gezin. Bovendien is de opvoeding binnen het gezin in onze maatschappij maar een heel kleine fractie van de opvoedingsomgeving van het kind. Een kind wordt minstens evenveel opgevoed door de media, de peer group, de familieleden, het schoolmilieu, de kennissen en vrienden… De enige manier waarop een kind dat niet wordt opgevoed door een heteroseksueel koppel geschaad kan worden wordt, is precies door de instandhouding van dit vooroordeel in het publiek klimaat omdat er dan rare en kwalijke reacties van de omgeving naar het kind kunnen uitgaan. Daarvan kan het kind dan inderdaad nadeel ondervinden.
Dat K.I.D. toepassingen toelaat buiten het huwelijk is overigens eerder een ethische vooruitgang. We moeten naar een maatschappij evolueren waarin het meer en meer zal voorkomen dat er alleenstaande, lesbische of homosexuele ouders zullen zijn en waarin die, én hun kinderen, niet gediscrimineerd worden; een maatschappij waarin iedereen die een kinderwens heeft vrij is in het kiezen van zijn leefvorm en waarin de klemtoon ligt op de kwaliteit van de zorg, de verantwoordelijkheid, de affectie bij het bewust nemen van een kind.
Daarmee vervalt nog een derde bezwaar, dat gericht is tegen de anonimiteit van de spermadonor: de claim dat een kind het recht heeft om zijn genetische afkomst te kennen. Men zegt dan dat een kind, dat het product is van K.I.D. opgroeit met de behoefte zijn zogenaamde biologische, genetische vader te kennen. Dit behoort tot wat ik ‘geneticisme’ noem: het denkbeeld dat je genetische afkomst bepalend is voor je persoon en dat kennis van je genetisch ouderschap centraal is voor de beleving van je eigen identiteit.
Indien de anonimiteit van de donor omwille van dit argument wordt opgeheven, zou dat in de praktijk erg problematisch worden. Enerzijds zou het een slechte motivatie zijn voor de donors (die hun donorzaad niet afstaan om actief in het ouderschap betrokken te worden, maar om mensen met vruchtbaarheidsproblemen te helpen); anderzijds zou het verwarrend kunnen zijn voor het kind. Een ontmoeting met de biologische vader impliceert nog niet dat het kind zich verbonden zal voelen met die man, of dat hij zich ermee zal kunnen identificeren.Ouderschap is geen genetisch begrip, maar wel een psycho-educationeel begrip. Het is een term die moet duiden op relaties van verantwoordelijkheid, affectie, zorg en begeleiding, … Het ouderschapsprobleem bestaat maar in een maatschappij die – vanuit een geneticistische drogreden en vanuit een handhaving van de ‘heilige viervuldigheid’ - de biologische vader als eis stelt voor vaderschap.
Het geneticisme is ook verantwoordelijk voor de idee dat K.I.D. ‘selectief kweken’ mogelijk maakt: de idee dat men een buitengewoon begaafd kind krijgt door zich te laten bevruchten met het zaad van een Nobelprijswinnaar. Dit is een opvatting van genetica die nergens op stoelt. Het is bovendien gevaarlijk want het is een onwetenschappelijk vooroordeel dat commercialistisch kan worden uitgebuit (in de VS wordt reeds op die manier op commerciële basis sperma verzameld en verkocht).
Niet alleen de verkoop van donorsperma moet buiten de commerciële sfeer gehouden worden, ook het verzamelen ervan. Vanuit een algemeen ethisch principe dat onderdelen van het menselijke lichaam niet verhandelbaar mogen zijn, is de betaling van spermadonoren (alsook van eiceldonoren) mijns inziens onverantwoord. We moeten vasthouden aan de norm dat spermadonaties – los van een onkostenvergoeding - gebaseerd zijn op altruïsme en vrijwilligheid. In praktijk kan hier heimelijk van afgeweken worde,. Men betaalt spermadonoren zogezegd dan niet, maar men kan ze een onkostenvergoeding geven die het karakter krijgt van een betaling.
Een derde optie is in vitro fertilisatie (I.V.F). Bij deze techniek stimuleert men de eierstokken van de vrouw om meer eicellen dan in een normale cyclus te produceren. Deze eicellen worden in een labo bevrucht met het zaad van de partner of met het donorzaad. De bevruchte eicellen ontwikkelen zich in vitro tot de pre-embryonale fase. Drie tot vier van die pre-embryo’s worden in de baarmoeder geplaatst. Zwangerschap treedt op bij succesvolle inplanting.
I.V.F. wordt toegepast als er een probleem is ter hoogte van de eileiders van de vrouw. Indien de vrouw een intacte baarmoeder heeft maar geen geschikte eicellen produceert kan men ook werken met eiceldonatie. Dan neemt men een eicel van een andere vrouw – in praktijk uit de voorraad die men heeft aangelegd door I.V.F.-toepassing bij een ander koppel – en bevrucht men die met het zaad van de partner. In sommige gevallen is er een vruchtbaarheidsprobleem bij zowel man als vrouw en is embryodonatie vereist. Dan wordt een embryo van een andere vrouw met een andere man, alweer vanuit de voorraad die door I.V.F. is bekomen, in de baarmoeder ingeplant.
Wat zijn de geopperde bezwaren tegen deze techniek?
(1) ongelijke toegankelijkheid In de eerste plaats heeft de techniek momenteel nog vrij lage slaagkansen (1 kans op vier per poging). Daarnaast lopen de kosten per poging zeer hoog op. Dit stelt een probleem van ongelijke toegankelijkheid van de techniek voor de bevolking. De hoge kosten maken van IVF een elitaire kwestie. Het is jammer genoeg een utopische gedachte dat men in de maatschappij maar ter beschikking moet stellen dat wat men aan allen ter beschikking kan stellen. We leven nu eenmaal in een maatschappij waar alle goederen en diensten ongelijk toegankelijk zijn. Het zou dan ook absurd zijn om op grond van ongelijke toegankelijkheid deze techniek te verbieden. Wat wel bedenkelijk is, is dat - in een maatschappij waar men de kinderwens van een vrouw bijna heilig verklaart - de techniek niet (althans niet in haar geheel) wordt terugbetaald.
(2) kans op ongewenste meerlingenzwangerschap Een ander probleem, dat geen principieel maar eerder een tijdelijk, praktisch bezwaar is, is dat bovenop die kleine slaagkans per poging, de kans op meerlingzwangerschappen groot is. Om de slaagkans tenminste op 25 % te brengen, plant men drie tot vier embryo’s in, met het risico dat er meerdere aanslaan en zich gaan innestelen in de baarmoeder. Een meerlingzwangerschap is evenwel niet noodzakelijk gewenst door de ouders. Dit is geen principieel bezwaar omdat I.V.F. pas wordt toegepast na grondige voorlichting van de wensouders. Op grond van die informatie kan de klant afhaken, het risico aanvaarden, dan wel beslissen over te gaan tot selectieve abortus.
(3) morele statuut van het restembryo
Van meer ethisch principiële aard is het gekende probleem van het morele statuut van het embryo. Bij I.V.F. heeft men altijd restembryo’s: men bevrucht meer dan vier eicellen en die worden niet ingeplant. Deze restembryo’s worden bewaard voor het geval een tweede poging nodig is, voor gebruik bij een andere koppel, of voor wetenschappelijk onderzoek. Sommige auteurs beargumenteren hierbij dat dit bezwaarlijk is omdat het gaat om beginnende menselijke wezens. In werkelijkheid gaat het hier om vier- tot zestiencellige organismen die bestaan uit cellen die allemaal nog totipotent zijn. Ze hebben aldus nog geen eigenschappen van organen of weefsels, maar kunnen nog alle richtingen uit. Men bewaart deze micro-organismen niet langer dan een paar weken. Mijns inziens lijkt het een teveel aan verbeelding om dat een beginnend menselijk wezen te noemen. Het is daarenboven een vorm van levensbeschouwelijke onverdraagzaamheid om te zeggen “ik vind dat je embryo’s niet mag maken, dus moet men dat voor allen wettelijk verbieden.”
Helaas moet ik mijn ontgoocheling uitspreken over de wettelijke toestand in België die zeer recentelijk ontstaat. In de nieuwe wet komt te staan dat men restembryo’s mag gebruiken indien men voor een goed wetenschappelijk doel research wil doen. Embryo’s mogen echter niet speciaal voor onderzoek worden aangemaakt tenzij de voorraad van restembryo’s niet voldoende zou strekken. Dit is een bizarre idee want het impliceert dat een restembryo een ander statuut heeft dan een embryo dat men specifiek aanmaakt. Het morele statuut van een embryo hangt blijkbaar af van de intentie waarmee het gemaakt is. Mijns inziens is dat een groteske moraal.
(4) verspilling van schaarse voorzieningen Sommige tegenstanders van I.V.F. stellen dat de medische voorzieningen schaars zijn en dat het onverantwoord is verder te werken aan een extreem hoge techniek die slechts voor enkelen bestemd is. Dit is een voorbeeld van ‘selectieve verontwaardiging’, want hetzelfde argument wordt bijvoorbeeld niet gebruikt tegen esthetische plastische chirurgie.
(5) het probleem van confidentialiteit bij donatie Het argument dat de donatie anoniem moet blijven is hierboven reeds aangehaald. Elke vorm van donatie moet anoniem zijn en dit om te vermijden dat mensen in de geneticistische vooroordelen verstrikt geraken en op zoek gaan naar van welke ei- of zaadcellen ze afkomstig zijn. Het dient wel opgemerkt te worden dat die anonimiteit niet mogelijk is wanneer de donatie afkomstig is van een familielid. Dit leidt tot afkeurenswaardige psychologische complicaties omdat in dit geval de afstand tussen ‘biologisch’ en ‘psycho-educatieve’ ouder veel kleiner is. Bovendien is het veel minder evident dat een directe verwante tot donatie overgaat vanuit volkomen vrijwilligheid, los van socio-morele druk.
(6) feministisch tegenargument Een laatste bezwaar komt uit de feministische hoek. In een aantal feministische publicaties identificeert men I.V.F. met mannelijke activiteiten en ziet men de vrouw als proefkonijn voor mannelijke procedures. Dit is niet ernstig te nemen. De vrouw die I.V.F. ondergaat is een ingelichte, vrijwillige en toestemmende vrouw, de artsen kunnen evengoed vrouwen als mannen zijn, en er is aan de aard van de ingrepen niets “mannelijks”
(b) DRAAGMOEDERSCHAP
Een ander alternatief is draagmoederschap, waar meer ethische problemen aan verbonden zijn. Draagmoederschap is aan de orde als er bij de vrouw een baarmoederprobleem is ofwel omdat ze geen baarmoeder heeft, ofwel omdat die niet in staat is een zwangerschap uit te dragen. Er bestaat een verschil tussen zogenaamd laagtechnologisch en hoogtechnologisch draagmoederschap. De eerst vernoemde vorm houdt in dat de draagmoeder geïnsemineerd wordt met zaad van de man van de wensouders. Hoogtechnologisch draagmoederschap gebeurt op basis van in-vitro fertilisatie: het pre-embryo wordt ingeplant in de baarmoeder van de draagmoeder.
Een term die voorstanders gebruiken om draagmoederschap aan te duiden, is ‘collaboratieve reproductie’: iemand is bereid de kinderwens van een ander in te willigen door het eigen lichaam daarvoor – al dan niet mits betaling - ter beschikking te stellen. De vraag stelt zich dan of iemand zijn lichaam voor geld mag verhuren voor een ander. Een vergelijking met prostitutie ligt hierbij voor de hand, want ook hier verhuur je je lichaam voor geld. Zolang er geen sprake is van vrouwenhandel, is prostitutie mijns inziens niet immoreel: vanuit het zelfbeschikkingsrecht valt te beargumenteren dat een vrouw het recht heeft haar lichaam te verhuren voor seksueel gebruik. Net zo goed als en zijn lichaamskracht, zijn energie, zijn arbeid of zijn geestelijke vermogens ‘verhuurt’ in arbeidsovereenkomsten.
Waarom is draagmoederschap dan wel problematisch?
Een draagmoeder ‘verhuurt’ haar baarmoeder voor negen maand aan een ander om een kind te krijgen. Tegenstanders verwijzen naar de term ‘broedmachine’. En daar waar een prostitué haar lichaam verhuurt zonder dat zij daar affectief / mentaal / psychisch erg in geïnvolveerd is, ligt dat bij een draagmoeder anders. Ze verhuurt immers niet alleen haar baarmoeder maar ook gedurende negen maand haar gehele levenswijze. Ze moet hierbij bepaalde regels in acht nemen, zoals afzien van roken en drinken, geen zware arbeid verrichten, zich regelmatig laten onderzoeken, … Bovendien roept het dragen van een kind in de baarmoeder bepaalde sentimenten op (moederschapattitudes) waardoor de draagmoeder koesterings- en zorgattitudes krijgt. Ze voelt zicht steeds meer verbonden met het groeiende ‘kindje’ om dan na de bevalling dat kind weer te moeten afstaan. Het kan zijn zijn dat die sentimenten en attitudes bij de draagmoeder niet optreden, maar dan moet men zich afvragen of dat ‘normaal’ is en of dat geen vorm is van ‘psychisch geweld’ die een vrouw zichzelf aandoet. Omwille van redenen die betrekking hebben op wat ik noem ‘psycho-hygiëne’ is dit onverantwoord. Daarenboven is het zo dat draagmoederschap veelal op commerciële basis gebeurt, gestuwd vanuit sociaal-economische druk, waar ook bemiddelingsinstituten schandelijk geld aan verdienen. Bovendien zijn er een aantal pragmatische problemen rond de fragiele verhouding van de wensouders met de draagmoeder. Er liepen in de USA in het verleden al zaken van de wensouders tegen de draagmoeder omdat ze niet akkoord waren met haar levenswijze. De problemen zijn des te ernstiger wanneer de wensouders - uit bezwaar tegen het gedrag van de draagmoeder / of omdat ze van gedacht veranderen / of omdat het kind bijvoorbeeld een handicap heeft - het contract niet naleven of de adoptie niet aanvragen. Wettelijk ligt vast dat de persoon die het kind baart de moeder is, zodat de draagmoeder wettelijk gezien verantwoordelijkheid voor het kind moet nemen. En wat met het tegengestelde geval, wanneer de draagmoeder op grond van haar moederschapattitudes het kind niet wil afstaan aan de wensouders voor adoptie? Wettelijk gezien heeft ze het recht om het kind te houden. En wat als de draagmoeder het kind wel afstaat na geboorte maar zich achteraf met de opvoeding gaat bemoeien?
Draagmoederschap kan ernstige psychologische complicaties leveren voor alle betrokken partijen. Persoonlijk vind ik het enkel verantwoord indien het gebeurt door een verwante of intieme vriendin van de vrouw op altruïstische, niet commerciële basis (wel op basis van de reële onkostenvergoeding). Ik maak een onderscheid tussen wat ik aan de éne kant humanitaire, altruïstische levenshulp noem, vergelijkbaar met een nier afstaan voor je kind of broer, en aan de andere kant het door commercialiteit opgezette institutengeheel dat mensen ronselt en miljoenen verdient. We mogen in de maatschappij niet bijdragen tot menselijke zelfverlaging.
(c) GESLACHTSKEUZE
Sinds 1995 is het mogelijk het geslacht van een kind op voorhand te bepalen. Er bestaan twee varianten: de ‘microsort’ techniek en de centrifugering.
De ‘microsort’ techniek berust op het volgende. Zaadcellen die drager zijn van het x-chromosoom zijn 2,8 % groter en zwaarder in gewicht dan y-chromosoomzaadcellen. De zaadcellen waaruit jongens ontstaan zijn dus kleiner en lichter dan die die meisjes maken. De geslachtsbepaling gebeurt met behulp van een instrument dat op grond van het verschil in grootte en gewicht de zaadcellen kan scheiden door een fluorescerings- en lasertechniek. Zaadcellen die drager zijn van het x-chromosoom worden rood gekleurd, dragers van het y-chromosoom worden groen gekleurd. Door de lasertechniek kunnen beide soorten van elkaar worden gescheiden.
De techniek is vooral effectief voor de bepaling van het vrouwelijke geslacht (slaagkans van negen op tien tegenover zeven kansen op tien bij de bepaling van het mannelijk geslacht), Helaas gaat het ook bij deze techniek om zeer hoge kosten.
Een tweede techniek is eenvoudiger en houdt in dat de zaadcellen worden gecentrifugeerd. Deze toepassing is veel minder kostelijk maar ook heel wat minder efficiënt.
Deze twee technieken zijn de enige die tot op vandaag werken. Andere methodes, zoals de dieetmethode en de timingmethode, zijn kwakzalverij. De dieetmethode berust op de idee dat bepaalde diëten een bepalende invloed hebben op de chemische toestand van de eierstokken, de eileiders, baarmoeder en vagina, waardoor die selectief ontvankelijk zouden zijn voor mannelijke of vrouwelijke zaadcellen. De timingmethode berust op de gedachte dat er een soort cyclus in de productie van zaadcellen bestaat, waardoor er periodes zijn waarop eerder mannelijke dan vrouwelijke zaadcellen worden geproduceerd en omgekeerd. Dergelijke geslachtsbepaling is evenwel niet realistisch.
De techniek van geslachtskeuze is vooralsnog verboden in de ons omringende landen (behalve VS). Er is weliswaar op dit ogenblik in Groot-Brittannië een onderzoek gaande door de Human Fertility and Embryology Authority. Zij doen een publieke opiniepeiling waarbij men vraagt of mensen – indien ze over de techniek zouden beschikken – er gebruik van zouden maken. Een derde van de ondervraagden antwoordde hierop positief. De techniek is een ideale preventie van x-gebonden aandoeningen, aandoening die gebonden zijn aan het mannelijke geslacht (bijv. de ziekte van Duchenne, hemofilie, musculaire dystrofie, …). Omwille van deze strikt medische reden zijn steeds meer landen bereid het wettelijk toe te staan. In het wetsvoorstel van de Senaatscommissie voor Bio-ethiek staat dat men de methode toestaat indien er geldige medische redenen voor zijn, onder goedkeuring van het ethische comité van het ziekenhuis en van een op te richten Federale Commissie voor Medisch en Wetenschappelijk Onderzoek.
Algemeen gesteld, zijn de argumenten om de techniek toe te laten de volgende:
(a) Ten eerste, om geslachtsgebonden aandoeningen te voorkomen.
(b) Ten tweede, met het oog op ‘family balancing’: voor het geval dat een gezin al één of twee kinderen heeft van hetzelfde geslacht en men een tweede of derde kind wil van het derde geslacht. De beperking dat men al minstens één kind moet hebben, komt voort uit de angst dat het demografische- of genderevenwicht anders zou verstoord worden. Dit argument is evenwel alleen relevant in landen als China en India. De voorkeuren voor meisjes of jongens liggen in ons land gelijk.
(c) Een derde voordeel van de techniek is dat het zou kunnen verhinderen dat er abortussen worden gepleegd omwille van het geslacht. Het zou tevens kunnen dienen ter voorkoming van nodeloos grote gezinnen, waarbij er bijvoorbeeld vier kinderen zijn van hetzelfde geslacht en men nog eens wil proberen om een kind van het andere geslacht te verwekken.
Behalve het argument dat geslachtskeuze in bepaalde landen wel degelijk voor een onevenwicht in de demografie zou kunnen zorgen, is het enige overige relevante tegenargument dat het alweer een methode is die aanvankelijk vooral voor de welgestelde burgers toegankelijk zal zijn. Naarmate de techniek meer routine wordt en de vraag ernaar stijgt, zullen de kosten ervan ook verlagen.
Er zijn nog andere argumenten die worden aangehaald in de literatuur die minder ernstig moeten genomen worden.
- Een aantal auteurs beweren dat geslachtkeuze “voor God spelen” is en dat de mens God of de natuur zijn gang moet laten gaan. Als dat zo is, dan moet men ook geen medicatie nemen om ziekte te bestrijden.
- Anderen benadrukken dat het gebruik van de geneeskunde voor niet-medische doeleinden onaanvaardbaar is. Ook tegen dit argument kunnen we veel voorbeelden aanhalen om aan te tonen dat geneeskunde maar al te vaak voor niet-medische doeleinden wordt gebruikt (bijv. het voorschrijven van de pil, plastische chirurgie; etc…)
- Het meest gehanteerde tegenargument is, zoals gewoonlijk bij nieuwigheden, het “hellend vlak argument”, waarbij men voorspelt dat technieken om geslachtskeuze te bepalen zullen resulteren in technieken om ‘designer baby’s’ te verwekken die over allerlei kenmerken beschikken die we zelf aangevraagd hebben. Die argumentatie gaat voorbij aan het feit dat men maar kan onderzoeken of men een bepaalde techniek kan regulariseren op het moment dat die techniek er is. Tot zover deze overzichtskommentaar bij de nieuwe medisch geassisteerde voortplantingstechnieken.