Personal tools
You are here: Home Artikels Wijsbegeerte & Ethiek Bio-ethiek Psychische alleenheid / existentiële eenzaamheid : recht op stervenshulp ?
Navigation
Log in


 
Document Actions

Psychische alleenheid / existentiële eenzaamheid : recht op stervenshulp ?

by admin last modified 2006-01-18 19:12

door Hugo Van den Enden. (i)

Sociale vereenzaming wordt niet noodzakelijk door alle mensen als eenzaamheid ervaren. Er zijn mensen die het niet als negatief ervaren wanneer ze zich opsluiten in hun persoonlijk leven, vooral indien ze voldoende beschikken over wat Blaise Pascal honderden jaren geleden het ‘divertissement’, de verstrooiing noemde. Als je je, hoewel vereenzaamd, toch veilig en geborgen voelt in je cocon, dan is dat omdat je zodanig kunt opgaan in creativiteit en bezigheden. Dat is voornamelijk zo als je helemaal als ‘ik’ meedraait in de dominante cultuurwaarden van onze maatschappij: de consumptie, de status, de macht, het prestige, de prestatiedruk, de zelfgelding. Dat is ook het geval als je kunt opgaan in een voor jou ‘heilige zaak’, waarmee je je kunt bezighouden van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Op die manier verhinder je het ‘ik’ om over zichzelf na te denken.
De dominante waarden van onze maatschappij zijn consumptie, welvaart, status, macht, konkurrentie, prestige en prestatiedrang. Wie daar evenwel niet mee meedraait kan zich dergelijke verstrooiing moeilijk toe-eigenen en valt in een culturele ‘leegte’ want de maatschappij heeft hem niks anders te bieden. Sociale vereenzaming moet dus weliswaar niet noodzakelijk tot een gevoel van eenzaamheid leiden, maar doet dat in veel gevallen wel. Wanneer men plots uit de evidentie van sociale geborgenheid valt, door werkloosheid, door pensionering, door eenzame hoge leeftijd, door “opgeleefdheid”…kan je spreken van de ervaring van psychische ‘alleenheid’. Dit kan leiden tot pessimisme, wanhoop, nihilisme, verbittering en uiteindelijk tot suïcidaliteit. We mogen dit niet bekijken als een probleem dat voortvloeit uit de psychologie van de individuele mens. Die mens die ten onder gaat is in feite zeer gezond, want hij gaat ten onder omdat zijn sociaal “ik” is afgeknipt en hij zich nu vragen stelt over de zin van het leven.

We kunnen hier als specifieke vorm van eenzaamheid, naast de psychische alleenheid, de existentiële eenzaamheid plaatsen. Deze kan groeien uit het inzicht dat men eigenlijk geen levensvisie heeft, omdat men continu “beziggehouden” werd, of dat men een levensvisie had die ingestort is : bijvoorbeeld de levensvisie die de nadruk legt op zelfontplooiing, maar plots krijgt men kanker, waardoor die mogelijkheid instort. Dan krijg je metafysische vragen: de ultieme vragen op vlak van levensvisie. Wie ben ik eigenlijk? Wat doe ik hier? Wat is mijn plaats hier? Men kan dus als het ware gebiologeerd worden door metafysische vragen waarop per definitie geen antwoord is. Het gevoel bekruipt je dat er een ‘orde der dingen’ is die we niet kunnen bevatten en die ons geen metafysische antwoorden geeft. Existentiële eenzaamheid houdt in dat je moet voortleven met open vragen, met alle verwarde emoties van dien. Existentiële eenzaamheid is aldus een moment van bewustwording dat niet noodzakelijk goed afloopt. De mens die geconfronteerd wordt met de eindigheid, de kwetsbaarheid en de gebrekkigheid van het leven, waar hij op elk moment aan voorbij geleefd heeft, activeert zeer acuut die metafysische vragen. Op de tegenslagen die we in het dagelijkse bestaan ervaren, hebben we nooit een antwoord. Wanneer je dan geconfronteerd wordt met een opeenvolging van tegenslagen, word je overrompeld door de nietigheid van het leven. Je beseft dat niks verloopt volgens menselijk plan en volgens menselijke ordeningspogingen. In al onze verwachtingen en levensdoelen schuilt een zieligheid, want ze worden toch afgebroken door ziekte en dood. Alles wat wij als waardevol beschouwen, is bovendien onderworpen aan de ‘wet van het marginalisme’, van het afnemende grensnut. Wanneer je iets heel waardevols nastreeft en bereikt, heeft dat een grote bevredigingswaarde. Echter, wanneer je het meerdere keren hebt bereikt, daalt de bevredigingswaarde. Op een bepaald punt wordt de bevrediging nul; eens onder dat punt bekom je het tegengestelde effect van de bevredigingswaarde. Dit inzicht ligt onder meer aan de basis van het boeddhisme (dat vereist dat men leert leven zonder behoeften na te streven) en van de onthechtingmoraal. Er bestaat slechts één iets dat niet is onderworpen aan de wet van het afnemende grensnut: het socio-affectieve. In innige en intieme liefde verbonden zijn met een ander voedt zichzelf in plaats van zich op te branden. Net dit punt echter krijgt in onze samenleving zo weinig plaats.
Aan deze culturele ziekte kunnen we niets doen. Niemand heeft het vermogen om de onbeantwoorde metafysische vragen te beantwoorden. Wetenschap kan niet de ultieme menselijke zinvragen oplossen. Godsdiensten hebben dat geprobeerd, maar hebben gefaald.

Hulp bij zelfdoding in geval van zwaar existentieel leed ?

In Nederland bijvoorbeeld is er recentelijk een ethisch probleem geformuleerd rond mensen die “klaar zijn met leven”. Wij zouden zeggen : mensen die “opgeleefd’ zijn. De vraag hierbij luidt: wat indien de extreem vereenzaamde mens tot het besluit komt dat hij niks meer aan het leven heeft, dat hij klaar is met leven en ermee wil stoppen? Vermits er steeds meer dergelijke mensen zullen zijn, moeten we daar maatschappelijke hulp aan bieden? Met andere woorden, mogen we aan iemand die niet terminaal ziek is, maar existentieel-psychisch leed ervaart, hulp bij zelfdoding geven?
De vraag wordt tegenwoordig in Nederland gekoppeld aan de discussie rond ‘de pil van Drion’. Drion is met de idee gekomen om aan hoogbejaarde mensen zelfdodingmiddelen ter beschikking te stellen. Dit voorstel duidt op het feit dat we moeten herkennen en erkennen dat dergelijke mensen niet verder kunnen. Er zijn ongetwijfeld mensen voor wie de alleenheid zo intens is dat ze een balans van hun leven hebben opgemaakt en hebben beslist aan dat leven een einde te willen maken. Als je die mensen wil helpen, dan moet de euthanasiewet worden uitgebreid. Hierbij komt evenwel een enorm operationaliseringprobleem kijken: hoe kan worden verzekerd dat die hulp bij zelfdoding enkel ter beschikking staat van hen die het echt nodig hebben? Bovendien, vanaf welke leeftijd – wat vereist dat er een groteske grens wordt getrokken – kan het toegelaten worden? Het moge duidelijk zijn dat de middelen niet ter beschikking mogen staan van de 20-jarige kleindochter wier liefje het heeft uitgemaakt. De vraag stelt zich dan evenwel welke criteria je moet hanteren voor de toebedeling. Die vraag is ontzettend moeilijk. Je kunt je immers voorstellen dat er een vrouw is van 45 jaar die haar hele gezin heeft verloren door een ongeluk en niet meer wil verder leven. Dergelijk persoon ervaart even veel psychisch leed als de bejaarde die ‘klaar is met leven’, maar het is intuïtief een veel moeilijkere kwestie. Uit de vraag naar criteria geraak je niet gemakkelijk uit omdat niemand in staat is om (1) het gewicht van psychologisch leed te meten; (2) te oordelen of het psychologische leed onherroepelijk is. De vraag is niet alleen wat de criteria moeten zijn, maar vooral ook wie de criteria moet hanteren. Het verschil met de huidige toepassing van euthanasie ligt in het feit dat het daarbij gaat om ongeneeslijke ziekten waarvoor er dokters bestaan die in staat zijn om die objectief vast te stellen. Voor psychologisch leed, daarentegen, hebben we geen specialisten. Ook al hadden we die wel, ze zouden nooit over volledig heldere criteria beschikken, daar waar er internationale consensus bestaat in de wetenschap van lichamelijke ziekten.

We hebben dus het probleem dat we het recht op sterven van mensen die klaar zijn met leven willen erkennen, maar dat we niet beschikken over een methode om hulp te verstrekken daar de helderheid ontbreekt over de criteria, de aard van de hulp en van wie de hulp moet verstrekken.
Als we zouden oordelen dat we wegens die onhelderheden niet kunnen overgaan tot hulp, dan zullen de mensen zich verplicht zien een einde te maken aan hun leven op een onwaardige manier, waarbij de kans op mislukte zelfmoordpogingen en daaraan gekoppelde traumatische ervaringen (ook voor anderen) bestaat.
Er is recentelijk in Nederland één en ander aan initiatief genomen.. De stichting‘de Einder’ bijvoorbeeld stelt suïcideconsulenten ter beschikking die het suicidale individu psychologisch begeleiden zonder dat ze de materiële hulp (de medicatie) bieden omdat dit laatste bij de huidige wet strafbaar blijft. Voorafgaand aan de zelfdoding begeleiden ze aldus die mensen zonder tot zelfdoding te stimuleren maar ook zonder dat tegen te werken.
Ook de stichting ‘Vrijwillig Leven’ probeert een initiatief van de grond te krijgen waarbij mensen terecht kunnen bij een ‘steunpunt’ voor gesprek, begeleiding en ook informatie over milde middelen tot zelfdoding. Een eerste steunpunt werkt reeds in Maastricht. Men kan dan denken aan een multidisciplinair team of een team van ervaringsdeskundigen als begeleiders voor de ondersteuning van een beslissing die is genomen vanuit een eigen denk-proces en beslissingsproces van de suicidale persoon.
Gegeven het wettelijke verbod om zelfdodende middelen voor te schrijven en toe te dienen, wordt dit gezien als een mogelijke uitweg voor de vereenzaamde mens, maar het verbod op konkrete middelen- en uitvoeringshulp bij zelfdoding houdt de zaak in de schemerzone. Het vergt nog een breed-maatschappelijke discussie die uiteraard veel weerstand zal oproepen.
Op dit moment zijn Zwitserland en de Amerikaanse staat Oregon de enige plaatsen waar medische hulp bij zelfdoding is toegestaan. In Oregon mag het evenwel niet worden toegepast bij zuiver psychologisch leed maar enkel bij ongeneeslijke en uitzichtloze ziekte met een doodsverwachting van minder dan 6 maanden. In Zwitserland, daarentegen, is materiële hulp bij zelfdoding geen strafrechtelijke misdaad. Twee verenigingen staan daar in voor de hulpverlening: ‘Exit’ en ‘Dignitas’. De ervaring is globaal genomen erg positief. Ongeveer 15 mensen per jaar sterven bij Dignitas (ook voor buitenlanders is de hulp toegankelijk). Het gaat hier wel degelijk om mensen die een hele gang van therapie achter de rug hebben en die een heel bewust en definitief besluit hebben genomen om uit het leven te stappen. Het gaat hier dus niet om een hellend vlak waarbij men iedereen die maar even depressief is, helpt bij suïcide. Een relevante vraag die wordt opgeroepen door het bestaan van organisaties als Dignitas is evenwel, zoals hoger aangehaald: waar haalt wie het recht en de criteria vandaan om te oordelen of de situatie van een patiënt ernstig genoeg is om tot actieve stervenshulp over te gaan? Ik ben voorstander van de idee dat mensen die echt en diep tot de definitieve en grondig overwogen konklusie komen dat zij “klaar zijn met leven” moeten kunnen geholpen worden om de ultieme daad niet in diepe eenzaamheid en met bedenkelijke middelen te moeten stellen, maar over de vraag wie geplaatst is om op grond van welke criteria te oordelen is nog een hoop maatschappelijk denkwerk nodig.

Prof.Dr.H.Van den Enden

(i)Deze tekst is een gedeelte van een uiteenzetting over het probleem van de menselijke eenzaamheid, gehouden voor het “Centrum voor Andragogiek” van Ufsia op 27-3-2003.