Personal tools
You are here: Home Artikels Wijsbegeerte & Ethiek Bio-ethiek De menselijke eenzaamheid
Navigation
Log in


 
Document Actions

De menselijke eenzaamheid

by admin last modified 2006-01-18 17:45

door prof.dr. Hugo Van den Enden, m.m.v. An Ravelingien (i).

1. Inleiding

De eenzaamheid waarover ik het hier wil hebben is niet zozeer een algemeen menselijk verschijnsel, maar in hoge mate een cultureel symptoom van onze hedendaagse westerse culturele sfeer. Het is een min of meer typisch westers probleem dat heel weinig beschreven en becommentarieerd wordt omdat die eenzaamheid een verborgen leed is in onze samenleving. Nochtans is het de ziekte bij uitstek waaraan steeds meer mensen in onze cultuur lijden. Dat is aantoonbaar door het feit dat zelfs bij jongeren suïcide de tweede doodsoorzaak is. Tot zeven mensen op tien hebben volgens onderzoek te eniger tijd in hun leven last van depressiviteit. Dit is pas het topje van de ijsberg en wijst erop dat er heel wat eenzaamheid in mensen sluimert waar we achteloos aan voorbijgaan.

2. Sociologische oorzaken

Er kunnen heel wat sociologische factoren worden aangeduid die verklaren dat we precies in onze samenleving zoveel eenzaamheid aantreffen. Ten eerste leven wij in een maatschappij waar de vroegere sociale verbanden – die fungeerden als een sociaal vangnet - afgebrokkeld en verdwenen zijn. Het leven vroeger speelde zich af in een dorpsgemeenschap, in de wijk, in de dorpsgemeenschap, in een groots familieverband. Grootouders, kinderen, kleinkinderen, nichten en neven, …leefden in groep of althans zeer dicht bij elkaar en met intense contacten samen. Die sociale verbanden zijn op dit ogenblik bijna romantische nostalgie geworden. We leven in een maatschappij waar de sociale band die individuen aangaan in praktijk beperkt is tot het kerngezin of tot een koppel. Zelfs het begrip ‘familie’ is in hoge mate abstract geworden en kent weinig ‘face-to-face relations’. De mededeelzaamheid over wat ons bezielt, bedrukt en vreugde schenkt, beperkt zich steeds meer tot interacties in het kerngezin of in het koppel. Bovendien blijkt dat één op twee koppelrelaties maar zeer tijdelijk zijn en zich weer ontbinden, waarbij altijd één van beide partijen zich verongelijkt voelt. Mensen staan steeds meer voor het mislukken van pogingen tot duurzame relaties. Ze blijven alleen over en houden er vaak leed en trauma’s aan over. De relaties worden daardoor ook veel oppervlakkiger. Steeds meer mensen in onze cultuur hebben het gevoel dat een relatie – zelfs als ze standhoudt – in hoge mate onderling vervangbaar is.
Daar komt nog eens bij dat de relatievorming althans op erotisch / seksueel vlak steeds vervroegt in leeftijd (vijftig procent van de dertien-veertienjarigen hebben al relaties met enige vorm van erotiek en seksualiteit) maar de duurzame koppelvorming, daarentegen, verlaat steeds vergeleken bij vroeger. Op die manier krijg je een toestand waarbij mensen al een heel rijtje seksueel erotische ervaringen hebben op het ogenblik dat ze overgaan tot min of meer duurzame koppelvorming. En dat versterkt het gevoel van het tijdelijke karakter van de relatie. Dat leidt er ook toe, aangezien de duurzame koppelvorming rond 25-27 jarige leeftijd optreedt, dat het ego, de persoonlijkheid van diegene die relaties aangaat al veel meer gevormd en gefixeerd is dan wanneer dat op vroegere leeftijd gebeurt. Vroeger gebeurde het vaker dat je persoonlijkheid groeide en zich ging vormen samen met de ander. De twee-eenheid die een stevige relatie moet grondvesten was eerder op zeer jonge leeftijd diepgrijpend aanwezig (al wil ik natuurlijk het verleden niet romantiseren). Nu ontstaan vaak relaties tussen mensen die al een hele hoop ego-eisen en strikte opvattingen, waarden en normen hebben. De partners gaan al aftastend met elkaar om en de mogelijkheden tot conflictvorming zijn groter. Dit versterkt op zijn beurt weer de toenemende tijdelijkheid van relaties en uiteindelijk die mislukking van relaties. Al die factoren samen maken dus dat we het sociale vangnet van de mens die in groepsverband leefde kwijt zijn. Mensen vallen in toenemende mate terug op hun ‘ik’. Ze dreigen steeds meer de ervaring te hebben van isolement dat dit individualisme met zich meebrengt.
Een heel andere factor is de veroudering van de bevolking en de verhoging van de gemiddelde levensverwachting. Honderd jaar geleden was de levensverwachting hooguit vijftig jaar, vandaag de dag is dat vijfenzeventig jaar. Veroudering van de bevolking betekent dat de leefperiode waarin men uit sociale verbanden valt – bijvoorbeeld de sociale banden van de arbeid – een langere duur heeft dan voorheen. Die verlengde leefperiode is vaak een periode van steeds verder schrijdende vereenzaming, een periode van ‘zacht sterven’. De ruimte die door gevoelens van eenzaamheid kan worden ingenomen, wordt bij die leeftijdsgroep alsmaar groter, temeer ook omdat de weinige sociale relaties die men dan nog heeft één na één afsterven.
De sociale contacten die wij in deze maatschappij met elkaar hebben, worden trouwens steeds oppervlakkiger. Je moet maar aan een aantal dagelijkse ervaringen denken: als je ’s morgens om acht uur op een trein zit, dan zitten de mensen óf in de krant te lezen óf recht voor zich uit te staren. Als er dan nog gesproken wordt, is dat zogenaamde ‘social talk’ die niets involveert van de eigen persoonlijkheid. Andere contacten, op het werk bijvoorbeeld, zijn eerder functionele contacten waar de persoonlijkheid van de mens ook niet bij te pas komt. Integendeel, als dat wel het geval is, wordt het aangevoeld als een ‘bedrijfsstoring’. We hebben aldus een combinatie van 1) ofwel geen contacten; 2) ofwel oppervlakkige contacten van social talk en van sociaal functionele aard. De interioriteit van de mens wordt buiten het sociale contact gehouden. Een hoofdkenmerk van de burgerlijke samenleving waarin wij leven sinds de Franse revolutie is de strikte scheiding tussen de publieke sfeer en de privé sfeer. We zijn er allemaal toe geconditioneerd om heel duidelijk een onderscheid te maken tussen wat openbaar is aan de ene kant en wat persoonlijk is aan de andere kant. Die scheiding impliceert ook dat men aan de privé sfeer (het persoonlijke leven) een veel grotere waarde toekent dan aan de openbare sfeer (de economie, arbeid, …). De maatschappij dwingt ons het persoonlijke leven te coconneren en onze innerlijkheid in te kapselen. Door de grote nadruk die we leggen op de persoonlijke sfeer, ondervinden we dat wat we in de openbare sfeer doen – naar ons werk gaan, naar de opera of cinema gaan – in toenemende mate als zelfvervreemding. Er zijn nog maar weinig mensen die van de luxe genieten dat hun werk geen ‘werk’ is, dat er een band is tussen hun persoonlijkheid en hun arbeidsfunctie. Wij beschouwen wat we in de sociale openbaarheid doen doorgaans als middel voor ons persoonlijk leven, niet meer als het terrein van mens-zijn, van intense sociale contacten en van zelfontplooiing. Ons terugtrekkend in een cocon worden we in toenemende mate opgesloten in het eigen ‘ik’, naast of tegenover anderen, maar niet mét anderen. In onze samenleving van rivaliteit, konkurrentie en prestatiedwang is de ene mens voor de andere meer een tegen-mens dan een mede-mens.
Daar komt nog een heel andere factor bij: de toenemende secularisering sinds de 17e/18e eeuw. Religiositeit was steeds een manier om het menselijke tekort aan sociale medemenselijkheid te compenseren. Als men dan geen innige intense relaties meer had met medemensen kon men die nog hebben met – al naar gelang het soort godsdienst – een god. Grote religies bieden de mogelijkheid tot een escapisme, een verticale ontsnapping (daar waar de sociale relaties een horizontaal escapisme kunnen bieden). Dat gaf de mensen inbedding: als het in het persoonlijke leven wat eenzaam en koud was, kon de religieuze mens zich opgevangen voelen door ‘de grote Andere’, het bovennatuurlijke. Die mogelijkheid valt bij de westerse mens in toenemende mate weg. Wat overblijft van religiositeit wordt herleid tot kerkelijkheid, tot het sociologisch nog behoren tot een kerk en deelnemen aan de riten. De diepe religiositeit als levenshouding sterft echter af. Vandaar ook het succes van New Age bewegingen, van nieuwe sekten en vormen van bijgeloof. Dit betekent dat de westerse mens vergeleken bij alle voorafgaande culturen en ook vergeleken bij de huidige derdewereldculturen een fundamenteel door eenzaamheid bedreigd wezen is. Dat is een specifiek kenmerk van onze cultuur, je vind het niet terug in alle culturen.

De angelsaksische sociaal-psycholoog Homans heeft er op gewezen dat wij als mens twee fundamentele behoeften hebben: enerzijds de ‘ik-behoefte’ en anderzijds de ‘wij-behoefte’. De ‘ik-behoefte’ betekent dat we altijd een beetje anders willen zijn dan de anderen, dat we een eigen ‘ik’ willen zijn dat zich differentieert van anderen en dat ons een gevoel van zelfwaarde geeft. Tegelijkertijd hebben we een ‘wij-behoefte’. Dat is paradoxaal. Het wil zeggen dat we naast de behoefte om afwijkend en onderscheidend te zijn, ook de behoefte hebben te zijn zoals de anderen, en mét anderen. We hebben behoefte aan een gevoel van toebehoren. Enkel wanneer beide behoeften in evenwicht met elkaar zijn, kan de basis voor een evenwichtige persoonlijkheid gelegd worden. In onze cultuur worden we omwille van de genoemde factoren gedrukt in een extreme individualisering. De ‘ik-behoefte’ wordt steeds centraler geplaatst, de ‘wij-behoefte’ steeds meer gefrustreerd. Vandaar dat het voor ons in deze samenleving moeilijk is om ons nog met anderen te identificeren. Wij willen mededeelzaamheid maar er is geen gesprekspartner. Onze cultuur wordt steeds armer aan mogelijkheden om ons sociaal-affectief te binden. Vandaar dat sociale eenzaamheid niet iets is dat sommige mensen kenmerkt, maar wat ‘ons’ kenmerkt. Gebrek aan sociale geborgenheid is een algemeen kenmerk voor mensen in onze cultuur. Dat betekent dat we in toenemende mate halve mensen zijn: mensen waarvan de sociale helft is afgeknipt. We hebben geen waarden die we delen met anderen, geen gedeelde levensperspectieven.

3. Psychische alleenheid / existentiële eenzaamheid

De sociale vereenzaming wordt niet noodzakelijk door alle mensen als eenzaamheid ervaren. Er zijn mensen die het niet als negatief ervaren wanneer ze zich opsluiten in hun persoonlijk leven, vooral indien ze voldoende beschikken over wat Blaise Pascal honderden jaren geleden het ‘divertissement’, de verstrooiing noemde. Als je je, hoewel vereenzaamd, toch veilig en geborgen voelt in je cocon, dan is dat omdat je zodanig kunt opgaan in creativiteit en bezigheden. Dat is voornamelijk zo als je helemaal als ‘ik’ meedraait in de dominante cultuurwaarden van onze maatschappij: de consumptie, de status, de macht, het prestige, de prestatiedruk, de zelfgelding. Dat is ook het geval als je kunt opgaan in een voor jou ‘heilige zaak’, waarmee je je kunt bezighouden van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Op die manier verhinder je het ‘ik’ om over zichzelf na te denken.
De dominante waarden van onze maatschappij zijn consumptie, welvaart, status, macht, prestige en prestatie. Wie daar evenwel niet mee meedraait kan zich dergelijke verstrooiing moeilijk toe-eigenen en valt in een culturele ‘leegte’ want de maatschappij heeft hem niks anders te bieden.
Sociale vereenzaming moet weliswaar niet noodzakelijk tot een gevoel van eenzaamheid leiden, maar doet dat in veel gevallen wel. Wanneer men plots uit de evidentie van sociale geborgenheid valt, door werkloosheid, door pensionering, …kan je spreken van de ervaring van psychische ‘alleenheid’. Dit kan leiden tot pessimisme, wanhoop, nihilisme, verbittering en uiteindelijk tot suïcidaliteit. We mogen dit niet bekijken als een probleem dat voortvloeit uit de psychologie van de individuele mens. Die mens die ten onder gaat is in feite zeer gezond, want hij gaat ten onder omdat zijn sociaal “ik” is afgeknipt en hij zich nu vragen stelt over de zin van het leven.

We kunnen nog een andere vorm van eenzaamheid onderscheiden, naast de psychische alleenheid: existentiële eenzaamheid. Deze kan groeien uit het inzicht dat men eigenlijk geen levensvisie heeft, omdat men beziggehouden is, of dat men een levensvisie had die ingestort is (bijvoorbeeld de levensvisie die de nadruk legt op zelfontplooiing, maar plots krijgt men kanker, waardoor die mogelijkheid instort). Dan krijg je metafysische vragen: de ultieme vragen op vlak van levensvisie. Wie ben ik eigenlijk? Wat doe ik hier? Wat is mijn plaats hier? Men kan dus als het ware gebiologeerd worden door metafysische vragen waarop per definitie geen antwoord is. Het gevoel bekruipt je dat er een ‘orde der dingen’ is die we niet kunnen bevatten en die ons geen metafysische antwoorden geeft. Existentiële eenzaamheid houdt in dat je moet voortleven met open vragen, met alle verwarde emoties van dien. Existentiële eenzaamheid is aldus een moment van bewustwording dat niet noodzakelijk goed afloopt. De mens die geconfronteerd wordt met de eindigheid, de kwetsbaarheid en de gebrekkigheid van het leven, waar hij op elk moment aan voorbij leeft, activeert zeer acuut die metafysische vragen. Op de tegenslagen die we in het dagelijkse bestaan ervaren, hebben we nooit een antwoord. Wanneer je dan geconfronteerd wordt met een opeenvolging van tegenslagen, word je overrompeld door de nietigheid van het leven. Je beseft dat niks verloopt volgens menselijk plan en volgens menselijke ordeningspogingen. In al onze verwachtingen en levensdoelen schuilt een zieligheid, want ze worden toch afgebroken door ziekte en dood. Alles wat wij als waardevol beschouwen, is bovendien onderworpen aan de ‘wet van het marginalisme’, van het afnemende grensnut. Wanneer je iets heel waardevols nastreeft en bereikt, heeft dat een grote bevredigingswaarde. Echter, wanneer je het meerdere keren hebt bereikt, daalt de bevredigingswaarde. Op een bepaald punt wordt de bevrediging nul; eens onder dat punt bekom je het tegengestelde effect van de bevredigingswaarde. Dit inzicht ligt onder meer aan de basis van het boeddhisme (dat vereist dat men leert leven zonder behoeften na te streven) en van de onthechtingmoraal. Er bestaat slechts één iets dat niet is onderworpen aan de wet van het afnemende grensnut: het socio-affectieve. In innige en intieme liefde verbonden zijn met een ander voedt zichzelf in plaats van zich op te branden. Net dit punt echter krijgt in onze samenleving zo weinig plaats.
Aan deze culturele ziekte kunnen we niets doen. Niemand heeft het vermogen om de onbeantwoorde metafysische vragen te beantwoorden. Wetenschap kan niet de ultieme menselijke zinvragen oplossen. Godsdiensten hebben dat geprobeerd, maar hebben gefaald.

4. Euthanasie in geval van zwaar psychisch leed

In een aantal westerse landen is er recentelijk een ethisch probleem geformuleerd rond euthanasie. De vraag hierbij luidt: wat indien de extreem vereenzaamde mens tot het besluit komt dat hij niks meer aan het leven heeft, dat hij klaar is met leven en ermee wil stoppen? Vermits er steeds meer dergelijke mensen zullen zijn, moeten we daar maatschappelijke hulp aan bieden? Met andere woorden, mogen we aan iemand die niet terminaal ziek is, maar psychisch leed ervaart, hulp bij zelfdoding geven?
De vraag wordt tegenwoordig in Nederland gekoppeld aan de discussie rond ‘de pil van Drion’. Drion is met de idee gekomen om aan hoogbejaarde mensen zelfdodingmiddelen ter beschikking te stellen. Dit voorstel duidt op het feit dat we moeten herkennen en erkennen dat dergelijke mensen niet verder kunnen. Er zijn ongetwijfeld mensen voor wie de alleenheid zo intens is dat ze een balans van hun leven hebben opgemaakt en hebben beslist aan dat leven een einde te willen maken. Als je die mensen wil helpen, dan moet de euthanasiewet worden uitgebreid. Hierbij komt evenwel een enorm operationaliseringprobleem kijken: hoe kan worden verzekerd dat die hulp bij zelfdoding enkel ter beschikking staat van zij die het echt nodig hebben? Bovendien, vanaf welke leeftijd – wat vereist dat er een groteske grens wordt getrokken – kan het toegelaten worden?

Het moge duidelijk zijn dat de middelen niet ter beschikking mogen staan van de 20-jarige kleindochter wier liefje het heeft uitgemaakt. De vraag stelt zich dan evenwel welke criteria je moet hanteren voor de toebedeling. Die vraag is ontzettend moeilijk. Je kunt je immers voorstellen dat er een vrouw is van 45 jarige leeftijd die haar hele gezin heeft verloren door een ongeluk en niet meer wil verder leven. Dergelijk persoon ervaart even veel psychisch leed als de bejaarde die ‘klaar is met leven’, maar het is intuïtief een veel moeilijkere kwestie. Uit de vraag naar criteria geraak je niet gemakkelijk uit omdat niemand in staat is om (1) het gewicht van psychologisch leed te meten; (2) te oordelen of het psychologische leed onherroepelijk is. De vraag is niet alleen wat de criteria moeten zijn, maar vooral ook wie de criteria moet hanteren. Het verschil met de huidige toepassing van euthanasie ligt in het feit dat het daarbij gaat om ongeneeslijke ziekten waarvoor er dokters bestaan die in staat zijn om die objectief vast te stellen. Voor psychologisch leed, daarentegen, hebben we geen specialisten. Ook al hadden we die wel, ze zouden nooit over volledig heldere criteria beschikken, daar waar er internationale consensus bestaat in de wetenschap van lichamelijke ziekten.

We hebben dus het probleem dat we het recht op sterven van mensen die klaar zijn met leven willen erkennen, maar dat we niet beschikken over een methode om hulp te verstrekken daar de helderheid ontbreekt over de criteria, de aard van de hulp en van wie de hulp moet verstrekken.
Als we zouden oordelen dat we wegens die onhelderheden niet kunnen overgaan tot hulp, dan zullen de mensen zich verplicht zien een einde te maken aan hun leven op een onwaardige manier, waarbij de kans op mislukte zelfmoordpogingen en daaraan gekoppelde traumatische ervaringen (ook voor anderen) bestaat.
Er is recentelijk in Nederland één en ander aan initiatief genomen.. De stichting‘de Einder’ bijvoorbeeld stelt suïcideconsulenten ter beschikking die het suicidale individu psychologisch begeleiden zonder dat ze de materiële hulp (de medicatie) bieden omdat dit laatste bij de huidige wet strafbaar blijft. Voorafgaand aan de zelfdoding begeleiden ze aldus die mensen zonder tot zelfdoding te stimuleren maar ook zonder dat tegen te werken.
Ook de stichting ‘Vrijwillig Leven’ probeert een initiatief van de grond te krijgen waarbij mensen terecht kunnen bij een ‘steunpunt’ voor gesprek, begeleiding en ook informatie over milde middelen tot zelfdoding. Een eerste steunpunt werkt reeds in Maastricht. Men kan dan denken aan een multidisciplinair team van begeleiders voor de ondersteuning van een beslissing die is genomen vanuit een eigen denkproces.
Gegeven het wettelijke verbod om zelfdodende middelen voor te schrijven en toe te dienen, wordt dit gezien als een mogelijke uitweg voor de vereenzaamde men, maar het verbod op konkrete middelen- en uitvoeringshulp bij zelfdoding houdt de zaak in de schemerzone. Het vergt nog een breed-maatschappelijke discussie die uiteraard veel weerstand zal oproepen.
Op dit moment zijn Zwitserland en de Amerikaanse staat Oregon de enige plaatsen waar medische hulp bij zelfdoding is toegestaan. In Oregon mag het evenwel niet worden toegepast bij zuiver psychologisch leed maar enkel bij ongeneeslijke en uitzichtloze ziekte met een doodsverwachting van minder dan 6 maanden. In Zwitserland, daarentegen, is materiële hulp bij zelfdoding geen strafrechtelijke misdaad. Twee verenigingen staan daar in voor de hulpverlening: ‘Exit’ en ‘Dignitas’. De ervaring is globaal genomen erg positief. Ongeveer 15 mensen per jaar sterven bij Dignitas (ook voor buitenlanders is de hulp toegankelijk). Het gaat hier wel degelijk om mensen die een hele gang van therapie achter de rug hebben en die een heel bewust en definitief besluit hebben genomen om uit het leven te stappen. Het gaat hier dus niet om een hellend vlak waarbij men iedereen die maar even depressief is, helpt bij suïcide. Een relevante vraag die wordt opgeroepen door het bestaan van organisaties als Dignitas is evenwel, zoals hoger aangehaald: waar haalt wie het recht en de criteria vandaan om te oordelen of de situatie van een patiënt ernstig genoeg is om tot actieve stervenshulp over te gaan? Ik ben voorstander van de idee dat mensen die echt en diep tot de definitieve en grondig overwogen konklusie komen dat zij “klaar zijn met leven” moeten kunnen geholpen worden om de ultieme daad niet in diepe eenzaamheid en met bedenkelijke middelen te moeten stellen, maar over de vraag wie geplaatst is om op grond van welke criteria te oordelen is nog een hoop maatschappelijk denkwerk nodig.

(i)Deze tekst werd opgenomen in “Op het Scherp van de Rede. 40 jaar kritisch denken”, Garant, Anwterpen, 2003, pp.241-246.