Leven met gretigheid
Een ontmoeting tussen Winnie Belpaeme en Hugo Van den Enden. Door Kathleen Van Steenkiste, moreel consulent.
Proloog
Gent ligt onder een wit winterdeken die middag. Ik schuifel voorzichtig over ijsplekken richting het Provinciaal Centrum Morele Dienstverlening. Onderweg ontmoet ik vele mede – ‘schuifelaars’. Behoedzaam en uiterst voorzichtig zoeken we ons een weg.
Ik heb vanmiddag een doel en een zin voor ogen.
Doel is in eerste instantie om zonder kleerscheuren het Centrum te bereiken. Zin is de ontmoeting tussen twee mensen te mogen bijwonen en er nadien verslag van te doen.
Allerlei vragen spoken door mijn hoofd: wat als de ontmoeting tot een botsing verwordt? wat als er geen ontmoeting is maar parallelle circuits ontstaan? wat als de afstand tussen beide partners onoverbrugbaar is? wat als …? Ik laat de vragen los, en weet één ding met zekerheid: dit wordt een boeiend avontuur, wat ook de uitkomst.
De twee mensen die ik bijeenbracht, kennen elkaar. Docent – student waren ze nog niet zo heel lang geleden. Filosoof – moreel consulent zijn ze nu.
Samengebracht om te praten over mensen en zingeving, over leven en sterven, over pijn en absurditeit.
Hugo Van den Enden is professor emeritus. Hij doceerde tot voor kort wijsbegeerte, ethiek en ideologiestudie aan de Universiteit Gent. Hij gaf onlangs een voordracht over het gedachtegoed van Albert Camus. Een voordracht die me denkvoer gaf en de aanleiding voor deze samenkomst was. Op deze wintermiddag schetst Hugo Van den Enden hoe hijzelf als ‘Camusiaan’ in het leven staat:
“Leef op het scherp van het zwaard, dat snijdende zwaard tussen wat er in de wereld gebeurt en wat je verlangt en wenst. Balanceer en ervaar dat zo intens mogelijk.”
Winnie Belpaeme werkt als moreel consulent in het Provinciaal Centrum Morele Dienstverlening te Gent. Haar interesse- en werkterrein situeren zich op het domein van gesprekken met mensen die bij haar aankloppen met hun vragen naar zingeving, met vragen bij zinloosheid, met verhalen over verlies en pijn.
Waar Hugo Van den Enden een hartstochtelijk pleidooi houdt voor het bewust stilstaan bij eigen zingeving, een pleidooi om bewust te leven, ontmoet Winnie Belpaeme mensen die getekend werden, gekwetst werden door dit stil staan. In haar praktijk van morele bijstand wordt nadruk gelegd op bewustwording van het eigen zingevingskader:
“Zingeving is voor mij iets zeer kwetsbaars en existentiële pijn onvermijdelijk. Hoe bewuster mensen met hun eigen zingeving omgaan, hoe hoger het risico op pijn.”
Eerste kop koffie…eerste sigaret
Bewust leven leidt tot existentiële pijn, maar is er een alternatieve weg om door het leven te gaan ?
Hugo Van den Enden schetst het denkkader van Albert Camus. Even waan ik me weer student op de Gentse universiteit, nieuwsgierig luisterend, kennis opslaand.
>
Camus gaat uit van het feit dat mens en wereld geen waarom en geen waartoe hebben, dat er geen plan, geen doel, geen hogere bestemming is. Mens en wereld vormen gewoon een feitelijk gegeven.
De ervaring van de ‘condition humaine’, noemt Camus de absurditeit. Hugo Van den Enden verduidelijkt:
“Absurditeit betreft hier niet de wereld, betreft niet de mens, maar betreft de manier waarop de mens het leven en de wereld ervaart. Meer nog, het betreft de existentieel pijnlijke tegenstelling in de wijze van ervaren. De mens wordt immers gekenmerkt door een hunkering naar eenheid en harmonie, naar orde en redelijkheid, naar geborgenheid en geluk. De wereld en het leven antwoorden daar echter op met onredelijkheid en menigvuldigheid, met chaos en wanorde, met ziekte en dood, met nutteloosheid en leegte, met de tijd die alles vernietigt. De hunkering wordt niet beantwoord, de wereld en het leven zwijgen.”
De mens tracht de wereld en het leven te doorgronden, tracht in die wereld zijn hunkering waar te maken. Maar de wereld blijft gesloten, blijft vreemd, beangstigend en bedreigend. De bewuste ervaring van die tegenspraak is het absurde:“Camus poneert dat we in het leven zo intens mogelijk moeten leven, dat we zo intens mogelijk die pijnlijke tegenspraak - tussen hunkering naar iets absoluut en zwijgende wereld - moeten doorleven in zoveel mogelijk ervaringen.”
Dit doorleven draagt in zich het botsen op die zwijgende, lege wereld:“Absurd leven is je als mens van die pijnlijke tegenstelling zo intens mogelijk en zo frequent mogelijk bewust zijn. En hoewel Camus de term ‘existentiële pijn’ niet gebruikt, zou die toch kunnen gedefinieerd worden als ‘de ervaring van de absurditeit’.”
Winnie Belpaeme haakt in op dit verhaal en vertelt hoe mensen net omdat ze botsen op die tegenstelling, de stap naar morele bijstand zetten. “Mensen leven met hunkering. Elke generatie stimuleert voor een deel de volgende generatie in de hunkering: mensen krijgen de idee mee dat rechtvaardigheid bestaat, dat eerlijkheid bestaat, dat geluk kan… Ze komen daardoor in botsing met de wereld. Dit botsen aanvaarden als een gegeven – zoals Camus stelt - zie ik heel zelden bij cliënten. Ik merk dat mensen telkens opnieuw proberen een betekenis te geven aan datgene wat gebeurt, of opnieuw een betekenis te zoeken voor datgene wat gebeurt.”
Wie een beroep doet op morele bijstand heeft vaak een verlies geleden. Verlies van wat of wie betekenisvol is (van een geliefde, van eigen mogelijkheden, van toekomst, van status, van werk, enzoverder). Een verlies waardoor niets meer hetzelfde is en zal zijn. Op die momenten komen de ‘grote vragen’ om de hoek kijken: wat is me overkomen ? hoe moet ik nu verder ? kan ik verder ?, ... Winnie Belpaeme vertelt hierover: “Bij Camus is er geen waarom, geen waartoe. Maar toch is het vaak vanuit die vraagstelling (waarom, waartoe) dat mensen op zoek gaan naar een antwoord. Men blijft eigenlijk niet of zelden bij het feit dat het botsen met de wereld en het leven nu eenmaal een gegeven is. Ik wil hier Victor Frankl vermelden die zegt dat wie een waarom heeft om te leven, ongeveer alles aan kan,en wie geen waarom heeft om te leven, niets meer aankan. En dat is een gegeven dat ik vaak bij cliënten die met verlies en existentiële pijn kampen, opmerk.”
Tweede kop koffie … derde sigaret
Hugo Van den Enden kruipt even weer in de huid van docent. Op heldere wijze schetst hij het onderscheid tussen subjectieve zingeving en objectieve zin. Objectieve zin betekent dat iets, los van momentane intenties en behoeften, een hogere betekenis heeft. Subjectieve zingeving gaat om de betekenis, de zin die iemand geeft aan gebeurtenissen, handelingen, personen. Objectief beschouwd heeft deze subjectiviteit geen betekenis.
Hugo Van den Enden: “Zingeving betekent bij de meeste mensen dat je het menselijke moet kunnen ophangen aan een soort hogere ‘kapstok’, zodat het iets ‘eeuwigs’, iets ‘blijvends’ heeft, iets objectief aan waarde heeft. Die behoefte naar dat objectief zinvolle is collectieve waan-zin. Met Camus zeg ik: het leven en de mens zijn zinloos op zich. Maar zolang je in deze wereld bent doe je natuurlijk aan betekenisgeving. Bedenk dan steeds dat al wat je betekent, al wat je zinvol onderneemt, uiteindelijk onder de wet staat van het ultieme échec. Alles mislukt. Niks blijft. Alles gaat kapot want tijd is een universele vernietiger. Maar probeer plezier te hebben in die objectieve zinloosheid. Probeer daarin subjectief dagelijkse bezigheden en liefde te beleven op een zinvolle manier. Wat subjectief zinvol is, is niet strijdig met het objectief zinloze..”
‘Camusiaans’ door het leven gaan. Het klinkt in theorie al niet makkelijk. Wat betekent het in praktijk? Met blutsen en builen, met kwetsuren en littekens toch blijven verder gaan? Waarom niet met ‘waan-zin’ op een meer vlekkeloze en soepeler wijze door het leven?
Moreel consulenten werken met het zingevingskader van de persoon die bij hen aanwezig is. Luisterend naar wat betekenisvol is, luisterend naar gevoelens die verwoord of getoond worden, luisterend naar (waan-)zin. Winnie Belpaeme: “Ik merk hoe mensen in die waan-zin leven, misschien kan dit betreurd worden maar het laat mensen toe om te leven, het geeft hen ergens kracht.(…)Vanuit Camus’ mensbeeld heb je niets te bieden want wat je zou bieden is slechts een illusie. Maar leven zonder die illusie is voor heel veel mensen ongelooflijk moeilijk.”
Derde kopje…vijfde sigaret
Hugo Van den Enden bepleit het bewust omgaan met de absurditeit, net om het leven ten volle te leven. Deze levenswijze creëert existentiële pijn. Pijn waarmee mensen aan Winnie Belpaemes deur aankloppen. Pijn die onvermijdelijk is en voor sommigen onleefbaar wordt. Waar vasthouden aan waan-zin, het vasthouden aan het leven tot gevolg heeft.
Wanneer dit leven onleefbaar wordt kan suïcide in het blikveld opduiken.
Winnie Belpaeme vertelt: “Wanneer iemand – binnen het objectief zinloze – geconfronteerd wordt met het subjectief zinloze, dan merk ik dat er mensen zijn die daar toch verder mee kunnen leven en dat er mensen zijn die de kracht niet vinden. Als consulent zit ik bij die laatst vernoemde mensen met heel lege handen.En alleen het tonen van mijn eigen lege handen kan een antwoord zijn.Ik heb het als consulent niet makkelijk om keer op keer daarmee geconfronteerd te worden. Ik bekijk dit langs twee kanten: enerzijds kan het steeds opnieuw geconfronteerd worden met de zinloosheid een motivatie zijn om zeer goed te genieten van die - voor mij - zinvolle momenten die ik beleef. Anderzijds word je constant geconfronteerd met het feit dat je op het scherp van de snee balanceert. Ik luister naar mensen die uit hun routine gevallen zijn, en die hier met hun vragen komen. Vragen waarop sowieso geen antwoord is, behalve het antwoord dat er geen antwoord is.(…) Als consulent werk je niet vanuit een groot verhaal, vanuit een vastliggend zingevingskader, daardoor ben je heel kwetsbaar. Net zoals die mens die bij je aanklopt.”
Hugo Van den Enden beaamt ‘de lege handen’. In tegenstelling tot moreel consulenten hebben vertegenwoordigers van religies geen lege handen om mensen over hun levensmoeilijkheden heen te tillen. Hij bestempelt het als het aanbieden van ‘een pakketje waan-zin’. Moreel consulenten hebben zo geen pakketje ‘waan-zin’ ter beschikking.Moreel consulenten hebben in dat opzicht, lege handen. Dit hoeft echter geen belemmering te vormen: “De moreel consulent hoeft geen lege handen te hebben in het praten met mensen, om ze er toe te brengen in het hier en nu, met hun concrete mogelijkheden en hun concrete beperkingen, te leven en van dat leven te maken wat ervan te maken is.”
Winnie Belpaeme brengt een nuancering aan. Praten kan, inzichten kunnen ontstaan, maar of een cliënt daar al dan niet mee aan de slag gaat, is een gegeven dat een consulent niet in handen heeft.
“Je bent als consulent één factor naast een aantal andere factoren. Zo zijn er mensen die nooit ‘bestaansrecht’ hebben meegekregen, het doet er niet toe of ze er wel of niet zijn. Voor die mensen is het erg moeilijk om bij zwaar verlies toch nog verder te gaan. Er zijn mensen die dat ‘bestaansrecht’ wel meegekregen hebben, die in hun bestaan erkend geweest zijn. Die mensen kunnen een paar keer botsen met de absurditeit zonder ten onder te gaan. Wat je als consulent wel kan doen is mensen begeleiden in de zoektocht naar wat voor hen wel – zij het momentaan – goed is, mooi is, leuk is. Ik denk dat je daar als consulent wel een grote rol kan spelen. Daar heb je inderdaad geen lege handen. Maar dat lukt ook niet altijd. (…)Het in zicht brengen van de ’hunkering’ gaf me een ander perspectief in de cliëntgesprekken. Het is een tweede aspect dat ik kan inbrengen, naast de absurditeit, naast de zinloosheid.”
Camus geeft de suïcide als enige alternatief voor bewust en intens de absurditeit beleven. Hugo Van den Enden: “Camus vindt suïcide geen valabele reactie op de absurditeit omdat het de absurditeit uit de weg gaan is. In plaats van de absurditeit op zich te nemen en als hoogste waarde te beleven, vernietigt de suicidant één van de twee polen van de tegenstelling, met name de hunkerende mens.”
Winnie Belpaeme: “Waar Camus suïcide als een uit de weg gaan van de absurditeit bestempelt, is het voor mij een vraag waar mensen soms nog de kracht vinden om dit uit de weg gaan, niet te doen. Ik merk in mijn praktijk van morele bijstand mensen die de hunkering verloren hebben en niet meer in de hunkering geloven. Mensen die het toelaten van de hunkering niet meer aankunnen of willen omdat de hunkering toelaten opnieuw impliceert dat ze het risico op de volgende pijn, het volgende verlies moeten accepteren. Sommige mensen zetten de stap en plegen suïcide, anderen doen dat niet. Ze kunnen het hunkerende wezen niet vernietigen, kunnen er geen einde aan maken.”
Hugo Van den Enden : “Wie opgeeft, wie er het bijltje bij neerlegt en zijn hunkering prijsgeeft, wordt aldus Camus een nihilist omdat men de wereld laat voor wat ze is maar daarbij ook zichzelf prijsgeeft.
Het is natuurlijk zo dat Camus, in die zin, elitair is. Het permanent en bewust de existentiële pijn zoeken en aanvaarden en het waardevol vinden die te ondergaan, is een opdracht die in de praktijk maar voor een heel kleine minderheid mensen is weggelegd. De meeste mensen houden zich vooral bezig met het bewuste denken in zichzelf te verhinderen. In onze maatschappij gebeurt dat door mee te draaien in de carrousel van alledag zonder zich het ethos en de finaliteit daarvan af te vragen. Anderzijds, en dat is de oplossing voor miljarden mensen, is er de mogelijkheid om te vluchten in een toekomst, in een hoop, die wordt geboden door godsdiensten. Camus vindt dat het meest nihilistische: te leven van de hoop, te leven voor morgen, te leven voor een toekomst. Dat komt neer op een voor zich uit drijven van een beter leven, een toekomstige maatschappij, hier op aarde of in een hiernamaals. Voor Camus – en ik wil die stelling persoonlijk onderschrijven - is dit het domme antwoord. De collectieve waan-zin van miljarden mensen.”
Hugo Van den Enden gaat gedreven verder op de ingeslagen weg. Mensen kunnen of apathisch afhaken en eigen hunkeringen en strevingen laten voor wat ze zijn en doezelig bij de wereld gaan neerzitten of – het omgekeerde doen - een betere wereld, een eeuwige wereld projecteren waarin harmonie, geluk, zaligheid, enzoverder realiteit zullen worden. Beiden zijn vormen van nihilisme.
“Camus vindt dat je op het scherp van het zwaard, tussen wat in de wereld gebeurt en het verlangen en de hunkering, moet blijven balanceren, dat zo intens mogelijk moet ervaren en daarbij een zekere onverschilligheid moet ontwikkelen. Onverschilligheid in de etymologische betekenis van het woord: ‘dat het geen verschil maakt’. Je moet de slagen van het lot incasseren omdat ze geen verschil maken, omdat goed en kwaad, ziekte en gezondheid, schuld en onschuld, willekeurig zijn, toeslaan op een chaotische manier. Je moet een soort stoïcijnse onverschilligheid ontwikkelen ten aanzien van die existentiële nood waarin je permanent verkeert .”
Het gesprek tussen Winnie Belpaeme en Hugo Van den Enden, beiden ervaringsdeskundigen in het leven, stokt op geen enkel moment. Het is een heen en weer tussen theorie, ervaringen, voorbeelden en stellingen. Langsheen verschillende thema’s geven ze hun zienswijze weer, verkennen ze het gegeven van existentiële pijn.
Hugo Van den Enden is bij wijlen Camus, geeft inkijk in zijn zingevingskader, in zijn eigen-zinnige wijze van in het leven staan. Winnie Belpaeme toetst die Camusiaanse stellingen aan haar ervaringen als moreel consulent, aan haar ontmoetingen die ze met gepokte en gemazelde mensen heeft. Raak- en verschilpunten worden aangehaald.
Eén van de verschilpunten is het thema van de troost.
Wat is troost ? Wat is troostend ? En kan troost soelaas bieden bij existentiële pijn?
Het blijkt een thema te zijn waar beide gesprekspartners in eerste instantie verschillende paden bewandelen.
Waar Winnie Belpaeme troost als ‘bijstaan’ omschrijft en als een manier van ‘verder kunnen leven’ beschrijft, ontkent Hugo Van den Enden het bestaan van troost voor hem.
Winnie Belpaeme: “Een complete confrontatie met de eindigheid is voor mensen heel hard. Ik denk dat daar de hunkering van mensen te situeren is. De hunkering om toch voor een stuk te willen blijven vasthouden, niet echt de confrontatie aankunnen met de complete eindigheid.”
Een behoefte aan troost? Winnie Belpaeme gaat verder: “Ik merk vaak dat er iets in ons zit waardoor je iemand die getroffen wordt door die absurditeit, wil bijstaan. En hoe je dat dan doet, kan heel verschillende vormen aannemen. Ik merk evenzeer op dat het vaak om een manier van troost gaat waar vaak ook een stuk ‘waan-zin’ wordt ingebracht. Een waan-zin die door mensen gedeeld wordt. Een illusie."
Hugo Van den Enden verzet zich fel tegen het begrip troost: “Hoe kan er nu troost zijn voor bijvoorbeeld het feit dat mijn partner veel te vroeg sterft. Wat zou daar nu troost voor kunnen zijn? Er is geen troost. Maar daar moet je tegelijkertijd ook niet aan ten onder gaan. Je moet gewoon beseffen dat de dood voor ons allemaal komt. Voor de één sneller dan voor de ander. Dit is een gegeven dat mensen moeten accepteren.(…) De dood maakt een einde aan de mogelijkheden om intens dingen te beleven. Maar de dood is ook niet erg. Want het is het ‘niets’. Aan het ‘niets’ is niets ergs.(…) Leer leven met de herinneringen aan diegene die gestorven is. Want leven is – in de zin van Camus – een leven van herinneringen, een leven van sensaties op het moment zelf en van herinneringen aan die sensaties. Maar ik noem dat herinneren niet zinvol. Het is niet objectief zinvol dat ik uren vul met herinneringen te koesteren. Ik leef met dat bewustzijn en die herinneringen hebben voor mij betekenis.”
Winnie Belpaeme houdt een pleidooi voor het geven van plaats aan de gevoelens van nabestaanden: “De feitelijkheid van het overlijden kan je natuurlijk niet wegnemen en de gevoelens die je daaromtrent hebt zijn en blijven aanwezig. (…) veel mensen hebben bij verlies gevoelens van verdriet en woede, die ze vaak naar allerlei personen in hun directe omgeving richten. Die gevoelens worden als een levensprobleem ervaren, daar ze deels ontstonden uit de botsing met de absurditeit.Als consulent kan je een ‘spiegel’ voorhouden, kan je mee helpen deze gevoelens een plaats te geven.”
Hugo Van den Enden volgt haar in deze denkpiste maar wil daaraan geen troost koppelen: “Troost zou betekenen dat je uiteindelijk vrede hebt met het te vroegtijdig overlijden. Ik revolteer daartegen en heb geen behoefte aan troost. Ik heb misschien op de begrafenis behoefte gehad dat iemand mijn hand vasthield, of een schouderklopje gaf. Maar troost…ik kan er niets bij denken.”
Troost is niet iets dat een absoluut karakter heeft, verduidelijkt Winnie Belpaeme haar stelling: “Troostend is alleen wat voor de persoon zelf troostend is. Wat u vertelt over de behoefte om de hand te worden vastgehouden, dat noem ik troost. Alles waar we over spreken gaat gepaard met enorm veel gevoelens en pijn die overal zit. Ik denk dat voor die pijn mensen verzachting zoeken.”
Wat door Winnie Belpaeme als troost aangereikt wordt is niet wat Hugo Van den Enden onder troost verstaat. Pijn, existentiële pijn, daarvoor is geen soelaas, daarvoor bestaat geen troost. Wat is er dan wel?
Hugo Van den Enden spreekt over zijn existentiële pijn: “Pijn behoort tot de essentiële beleving van het leven en die vind ik zeer waardevol. Ik weet niet waarom men existentiële pijn altijd uit de weg wil gaan. Ik heb een zeer acute existentiële pijn ervaren door het vroegtijdig overlijden van mijn echtgenote. Ik leef daarmee. Ik koester foto’s, ik koester herinneringen, ik koester een aantal dingen die te maken hebben met haar microkosmoswereld toen ze nog leefde. Maar ik noem dat geen troost. Ik vind de dood verachtelijk en ben er kwaad op. Maar ik kan leven met kwaadheid (…) Ik wens niet uit mijn eigen subjectiviteit gehaald te worden, ik wens niet dat iemand zich daarmee bemoeit.” Hugo Van den Enden nuanceert: “Dat ligt natuurlijk anders bij iemand die hulp zoekt en die hulp wenst. Die hulp bestaat dan uit iemand pratend begeleiden in het zoeken naar een wijze om op een voor hem leefbare manier met zijn eigen gevoelens, waarden en normen om te gaan. Hulp bestaat niet uit een ‘pakketje’ aanbieden.”
En hier vinden Winnie Belpaeme en Hugo Van den Enden elkaar terug. Winnie beaamt: “Troost is alleen troostend/troost als diegene waarover het gaat het als troostend aanvoelt. Als consulent kan ik het een opdracht vinden om dat te gaan zoeken,samen met de cliënt.”
En over ‘het pakketje’ wil ze nog het volgende kwijt: “Ik beschouw een consulent niet als iemand die een pakket te geven heeft, maar wel als iemand die diezelfde pijn kent en vanuit diezelfde ervaring naast iemand kan staan. En misschien, wanneer die persoon aangeeft wat hij nodig heeft, kan een consulent diegene zijn wiens hand hij wil vasthouden op de dag wanneer hij het nodig heeft. De ‘broederlijkheid’ waarover Camus schrijft.”
Hugo Van den Enden vult aan: “In de begeleiding van mensen kan je er op wijzen dat de enige, duurzame waarde in het leven, de socio-affectieve is. Het is de enige waarde die niet onder de wet van ‘marginalisme’ valt, dit wil zeggen, het is het enige dat niet in betekenis en bevrediging afsterft naarmate je het meer hebt (zoals geld, macht, consumptie). Het enige dat een duurzame satisfactie geeft is de socio-affectieve inbedding van de mens. Dat is ook de broederlijkheid, de medemenselijkheid van Camus. Er heeft nooit een samenleving bestaan waarin die waarde zo ernstig in het gedrang is gekomen als onze samenleving.”
Vierde kopje…zevende sigaret
Het gegeven van het verdwijnen van ‘broederlijkheid’ leidt het gesprek naar existentiële pijn bij mensen die terminaal ziek zijn. Camus illustreert de ‘condition humaine’ aan de hand van de mythe van Sisyfus, die steeds opnieuw zijn rotsblok de helling opduwt en ook weer steeds opnieuw de rots de helling ziet afrollen. Terminaal zieke mensen rollen voor de laatste keer hun rotblok omhoog of beseffen beneden aan de helling dat het duwen niet meer zal lukken of dienen halverwege de helling op te geven. Wat met Camusiaanse hunkering en absurditeit in deze situaties?
Hugo Van den Enden: “De manier waarop men met stervenden omgaat, is één van de criteria waaraan men het beschavingspeil van een samenleving kan afmeten. Vanuit dit criterium is het beschavingspeil van onze maatschappij niet alleen miniem, maar nul. De twee fundamentele problemen van de terminale patiënt zijn de geïndividualiseerde samenleving, die leidt tot isolement en eenzaamheid in het licht van het afscheid, én de medicalisering waardoor men gedropt wordt in een on-menselijk milieu van een cleane kamer met buisjes en draadjes en witte jassen en metalen bedsponden. Deze twee factoren maken dat de existentiële pijn voor iedereen optreedt en extreem acuut is. Mensen stellen zich de ‘balans-vraag’: wat heb ik hier gedaan, wat was zinvol, wat heb ik er nu nog aan, wie geeft er nu nog om mij.(…) We sterven niet meer, we worden gestorven. Met een gevoel dat het nog buiten ons om gebeurt, met medische beslissingen waar we geen greep op hebben, met enkele kwartiertjes bezoek van enkele familieleden, die kunstmatige schijngesprekken voeren."
Winnie Belpaeme sluit zich aan en bekijkt hier de mogelijke bijdrage van een moreel consulent: “In dit kader zijn moreel consulenten vaak diegenen die bij patiënten geroepen worden. In de realiteit, die er één is van eenzaamheid van mensen die stervend zijn, kan je wel die nabijheid en die medemenselijkheid bieden. Vaak vanuit een spijtige vaststelling dat er geen andere mensen, geen naasten, geen andere nabijheid mogelijk is. Stervende mensen die goed omringd zijn maar waarbij er geen oprechtheid in die existentiële pijn kan zijn. Niet alleen omdat ze de pijn niet kunnen tonen, maar ook omdat de pijn niet gezien wordt. Er is een enorme angst voor existentiële pijn omtrent het levenseinde. Mensen lopen ervan weg, vaak is het op die momenten dat er een consulent betrokken wordt. Ik denk dat het die momenten zijn waarop je als consulent voelt dat je het verschil kan maken, omdat je er bent, omdat je wil luisteren en zo de pijn naar buiten kan laten komen. Je kan de pijn natuurlijk niet wegnemen.”
En over hunkering: “Ik stel vast dat bij stervende mensen een andere hunkering kan ontstaan – een laatste hunkering – naar het niet-meer-zijn. Een hunkering naar de dood. Een hunkering die door de therapeutische hardnekkigheid ontstaat, omdat het leven één en al last en pijn geworden is. Ik denk dat je daar kunt helpen door te proberen gidsen naar waar mensen hulp kunnen krijgen en zo die hunkering kunnen realiseren.”
Hugo Van den Enden: “Wanneer door de ongeneeslijkheid van zijn ziekte er geen ander perspectief van bevrijding is, dan die door de dood,dan is er de hunkering naar de dood, omdat hij dat leven niet meer wil. In die doodswens zit een aanklacht tegen de hele situatie waarin hij zich bevindt.”
‘Hunkering naar de dood’, het brengt de gesprekspartners opnieuw op het thema van de suïcide.
Winnie Belpaeme legt de stelling voor dat mensen wezens zijn die vaak ideële hunkeringen koesteren, en dus inherent de harde botsingen met de realiteit (lees: absurditeit) meedragen en dus ook het risico lopen om te besluiten het hunkerende wezen te vernietigen: “Het gaat om verlies, verlies van een perspectief, van verwachtingen, en die te maken hebben met zo’n grote hunkering.”
Hugo Van den Enden repliceert hierop: “Dat is wat ik de megalomanie van het ik noem. Wanneer men aan zijn eisen aan het leven een overdadig gewicht gaat geven, vind ik dat men – in Camusiaanse termen – de hunkering van het ’ik’ teveel losmaakt van de partiële aanvaarding van de bestaande werkelijkheid. Camus bedoelt met zijn ‘revolte-begrip’ dat je de werkelijkheid altijd moet afwijzen maar dat je ze tegelijkertijd in haar feitelijkheid moet accepteren. Je hebt geen andere keus dan op een realistische manier met de mogelijkheden en beperkingen van de wereld en van je persoon, rekening te houden.”
Waar suïcide in Camusiaanse termen betekent dat men de absurditeit uit de weg gaat omdat men zichzelf wil vernietigen, breekt Hugo Van den Enden een lans voor de hunkering naar de dood bij terminaal zieke mensen waar het volgens hem niet gaat om een ‘uit de weg gaan van de absurditeit’. Hij sluit zich aan bij wat Winnie Belpaeme eerder zei en besluit: “Dat is anders bij de terminale patiënt omdat die de keuze niet meer heeft om met het leven in relatieve éénklank te geraken. Wanneer die mens dan in zijn vereenzaming en zijn medicalisering vindt dat het slothoofdstuk dat anderen aan zijn leven bijschrijven, een horrorhoofdstuk is en dat hij daar uit wil stappen, is dat een perfect argument.(…) Het is een vorm van medemenselijkheid om een uitzichtloze situatie niet tot een hel te maken, om voldoende empathie en sympathie op te brengen om mensen te helpen op een menswaardige manier afscheid te nemen van het leven.”
Achtste sigaret
Het sneeuwt opnieuw. Winnie Belpaeme en Hugo Van den Enden gingen een middag op stap met elkaar, toetsten onderweg visies en ervaringen over existentiële pijn rondom het levenseinde, over morele bijstand, over hunkering en absurditeit, over lege handen en troost,…over gretig leven met blutsen en builen. Hugo Van den Enden: “Leef nu, leef vandaag, leef zo intens mogelijk, leef met je wensen die je in je concrete vrijheid nu kunt verwezenlijken en die kunnen mislukken en neem daar nota van en profiteer van datgene dat aangenaam is en doorsta wat onaangenaam is.”
Bij Winnie Belpaeme zijn er – als afsluiter - nieuwe vragen gerezen: “Zitten hunkering en hoop niet ergens samen? Zit zin niet in het denken dat hunkeren af en toe wel een verschuiving in de absurditeit teweeg brengt?”
Voer voor een volgende ontmoeting…